Taak

Taak Krijgsmachtpredikanten.

◦    Zie Opdracht Synode 

◦    Samen met de sectie militairen vergadert de sectie krijgsmachtpredikanten zo vaak het nodig is, maar minimaal vijf tot zes keer per jaar. Beide secties gezamenlijk bespreken ontwikkelingen in de krijgsmacht, de actuele stand van zaken van uitzendingen, de bijwerking van de website, de rapportage aan de komende synode, enzovoort. De hoofdmoot van de agenda van de sectie krijgsmachtpredikanten wordt gevormd door (bespreking van) de bevindingen van onze drie krijgsmachtpredikanten. Dat wil zeggen: de derde krijgsmachtpredikant ds. J.W. Veltkamp is reeds dit najaar (2006) met zijn werk gestart. De krijgsmachtpredikanten proberen zoveel mogelijk de vergaderingen bij te wonen, in ieder geval die van hun eigen sectie.

Het blijkt dat het werk van krijgsmachtpredikanten gevarieerd is. Niet alleen hebben ze te maken met de voortdurende ontwikkelingen binnen de krijgsmacht. Vooral hebben ze te maken met militairen van vlees en bloed, die soms emotioneel veel te verwerken krijgen. Het werk van onze krijgsmachtpredikanten is vooral christelijke presentie. Maar soms zitten er ook missionaire aspecten aan hun werk. Kortom: hun rapporten zijn doorgaans zeer boeiend. Deputaten proberen met de krijgsmachtpredikanten mee te denken, en hen te stimuleren. Zoals voor alles, is ook voor hen en hun werk het gebed van de kerken van groot belang.

 

Geestelijke Verzorging krijgsmacht wil er zijn voor militair

27-04-2012 22:14 | A. de Heer

Een markeringsmoment, noemt redactielid ds. J. P. van Bruggen de verschijning van de bundel ”Naar eer en geweten”. Hierin zetten de zes Diensten Geestelijke Verzorging die Defensie kent uiteen wat in hun ogen hun taak isbinnen de Nederlandse krijgsmacht. „Het gaat ons erom de militair bij te staan.”

Het gesprek heeft plaats in een gebouw net buiten de toegangspoort van de Johannes Postkazerne bij Havelte, onderkomen van 43 Gemechaniseerde Brigade. Lange tijd de trots van de Koninklijke Landmacht: hier, te midden van de Drentse bossen, bevindt zich een belangrijk deel van de tanks, pantserhouwitsers en ander zwaar materieel waarover het leger beschikt. Het recente besluit om, in het kader van de bezuinigingen, de beide tankbataljons die Nederland nog telt –in Havelte en Oirschot– op te heffen en onder andere alle Leopardtanks te verkopen, treft ”43 Mechbrig” dan ook in zijn kern.

En dat heeft zo zijn weerslag op de militairen, zegt ds. Van Bruggen, sinds april 2000 krijgsmachtpredikant vanwege de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. Maar het zijn, vanzelf, niet alleen de bezuinigingen waarmee hij als pastor te maken krijgt. Het werk van een geestelijk verzorger bij Defensie is „zeer divers.”

De predikant komt net terug van een herdenkingsbijeenkomst voor een in Uruzgan gesneuvelde militair waar hij gevraagd was te spreken. „Juist die herinneringsmomenten zijn belangrijk voor militairen die zijn teruggekeerd uit Afghanistan”, zegt hij. „Ze dragen een verdriet en gemis bij zich waarmee ze in de samenleving niet echt terechtkunnen, waarvoor eigenlijk geen plek is. En ook voor de families die verder moeten, kan zo’n herdenking troost geven.”

Moeilijk, om dan iets te zeggen?

„Het feit dat ik welkom ben op de meest verdrietige momenten, zie ik als iets kostbaars. Als dominee krijg ik dan het vertrouwen van mensen die getroffen zijn door ondenkbaar leed. Ik word gemotiveerd door de liefde van God, zoals die in Jezus gestalte krijgt. En dat weten mensen. Het contact is er bijzonder waardevol door, ook als het geloof niet gedeeld wordt, de Bijbel niet geopend wordt en er evenmin wordt gebeden. Ook dan acht ik mij volop dominee.”

Militaire ethiek

Ds. Van Bruggen was als redactielid betrokken bij de totstandkoming van het boek ”Naar eer en geweten”. Daarin geven onder andere de zes Diensten Geestelijke Verzorging hun visie op ”Geestelijke verzorging en de morele vorming in de krijgsmacht”, zoals de ondertitel luidt.

De bundel verschijnt op een belangrijk moment, zegt de predikant, zoon van de Kamper emeritus hoogleraar prof. dr. J. van Bruggen. „Ethiek was bij Defensie vroeger iets dat vooral bij de Geestelijke Verzorging lag. De laatste jaren is er een versterkte aandacht voor militaire ethiek binnen de organisatie zelf. Op zich hoeft dat geen probleem te zijn. Maar voor ons als Diensten Geestelijke Verzorging was het aanleiding om eens diepgaand na te denken over ónze taak. Wij willen er zijn voor de hele mens, de mens achter de militair. Wat houdt dat nu precies in, en waarin onderscheiden wij ons?

Bewust hebben we hierbij voor de samenwerking gekozen. In ons boek leveren dus alle zes de diensten een bijdrage. Je had altijd al de rooms-katholieke geestelijke verzorging, de protestantse en de humanistische; de laatste jaren zijn daar de joodse, hindoeïstische en islamitische geestelijke verzorging bij gekomen. Met dit boek zeggen wij eigenlijk: Hier staan wij voor.”

Kunt u dat in enkele zinnen beschrijven?

„De manier waarop de Diensten Geestelijke Verzorging in Nederland zijn georganiseerd, is tamelijk uniek in de wereld. Dat heeft alles te maken met hoe we in dit land de scheiding van kerk en staat hebben vormgegeven. Je bent gezonden door de kerken om te werken binnen de krijgsmacht: je hebt dus een dubbele loyaliteit. Je kunt de geestelijke verzorging zien als een vrijplaats binnen de krijgsmacht. En dat maakt je positie uniek. Tegen jou kan een militair alles zeggen, zonder dat het bij de commandant komt en opgeschreven wordt.

En wat ons betreft blijft dat ook zo, heeft de krijgsmacht juist dít nodig. Een militair krijgt met zó veel dingen te maken, ook met zaken die levensbeschouwelijk van aard zijn, te maken hebben met leven en dood, noem maar op. Het gaat ons, schrijven we

in ons voorwoord, om de militair van wie als mens veel gevraagd wordt. En daarom bepleiten we een, zeg maar, bezielde krijgsmacht.”

U bent zelf in Uruzgan geweest. Wat doet zo’n uitzending met militairen?

„Onderschat dat niet. Je bent ver van huis, én verkeert in oorlogsgebied – want ik kan het toch niet anders zien. Dat doet iets met je. Sowieso krijgt vrijwel elke militair te maken met vragen waar een gewone burger zelden of nooit mee geconfronteerd wordt, maar op uitzending gebeurt dat helemaal. Vragen op de grens van leven en dood, existentiële vragen, religieuze vragen.”

Waarbij politiek en samenleving vaak nauwelijks aandacht hebben voor de militair; maar wél als die slachtoffers maakt, blijkt uit de bundel.

„Ook dit punt stellen we inderdaad aan de orde. Omdat het een heel moeilijk punt is; zeker ook voor veteranen. Om deze reden is er in het boek ook een hoofdstuk over de theorie van de rechtvaardige oorlog opgenomen. In een oorlogssituatie kún je soms niet anders dan slachtoffers maken, maar altijd om erger te voorkomen. Of: kan het soms niet anders dan dat er onder militairen zelf slachtoffers vallen. Als daar vanuit politiek en samenleving –op afstand– met weinig of zelfs zonder enig begrip op wordt gereageerd, heeft dat veel impact.”

In het laatste hoofdstuk komt de (mogelijke) vorming van een Centrum morele vorming aan de orde. Waaraan moeten we concreet denken?

„We zijn daar nog volop over aan het nadenken. Maar wat ons in elk geval voor ogen staat, is een centrum waar systematisch wordt nagedacht over vraagstukken die met geestelijke verzorging en morele vorming samenhangen. Daarbij willen we ook samenwerken met bijvoorbeeld de Nederlandse Defensie Academie en andere Nederlandse universiteiten, waaronder de Protestantse Theologische Universiteit. Om maar wat te noemen: tijdens de uitzendingen in Uruzgan is zo veel ervaring opgedaan. Het zou jammer zijn als daar niets meer mee gebeurde. En we willen dat doen als Diensten Geestelijke Verzorging samen. Omdat er heel veel dingen zijn waar we een vergelijkbare visie op hebben.”

Krijgt dat centrum ook een onderkomen?

„Een en ander zou gerealiseerd kunnen worden op Beukbergen in Huis ter Heide, nu ook al het vormingscentrum van de Diensten Geestelijke Verzorging van de krijgsmacht.”

In hoeverre blijven de verschillende diensten hun eigenheid behouden?

„Helemaal, wat ons betreft. Maar wat je in dit werk merkt, is dat je niet zonder elkaar kunt. Juist door samen te werken, bereik je meer.”

Ontstaan in jappenkampen

„Hoe zorgen wij er als geestelijken voor dat de mensen zich aan onze zorgen toevertrouwen, geestelijk en ethisch overeind blijven, ondanks de erbarmelijke omstandigheden?” Zo luidde, vrij vertaald, de vraag waarop het militaire vormingswerk, de geestelijke verzorging, oorspronkelijk antwoord wilde geven.

Dat werk begon in de jappenkampen tijdens de Tweede Wereldoorlog, zo blijkt uit de bundel ”Naar eer en geweten. Geestelijke verzorging en de morele vorming in de krijgsmacht”. Daar meldden aalmoezenier Vergeest en dominee Mak, de vader van auteur Geert Mak, zich op zeker moment om „bij de militairen te kunnen blijven die ze verzorgden.”

Militairen zijn experts in de omgang met onrecht, schrijft de redactie van het boek in het voorwoord. „Niet alleen in het bestrijden, maar ook in het ervaren en verwerken van onrecht raken zij bedreven. Het hoort erbij, is de vaak onuitgesproken gedachte. En als erover wordt gesproken is het in kleine kring, een-op-een, waar vertrouwdheid wordt gevoeld. De opdracht van militairen brengt hen niet zelden voorbij de grens van wat voor de gemiddelde mens voorstelbaar is.”

De geestelijk verzorgers zijn in de krijgsmacht om militairen „geestelijk bij te staan”, aldus de redactie verder. „En om het gesprek over de impact die hun taak en de missie op hen heeft te bevorderen.”

De bundel ”Naar eer en geweten” is voortgekomen uit een plan van de hoofden van de Diensten Geestelijke Verzorging in 2010 om intern en extern de bijdrage van de geestelijke verzorging opnieuw te belichten. Hieruit is de werkgroep morele vorming voortgekomen, die op 1 november 2011 een seminar heeft gehouden in Beukbergen, het vormingscentrum van de krijgsmacht. Een deel van de bijdragen tijdens dat seminar is (uitgebreider) opgenomen in de bundel.

”Naar eer en geweten” telt tien hoofdstukken. In zes ervan presenteren de zes Diensten Geestelijke Verzorging zich: de protestantse, de humanistische, de rooms-katholieke, de joodse, de hindoeïstische en de islamitische. De overige vier hoofdstukken zijn meer beschouwend van aard. Zo legt de protestantse ethicus Theo Boer uit waarom de geestelijk verzorger in de krijgsmacht de theorie van de rechtvaardige oorlog „zo bitter hard nodig heeft.” Boer: „De theorie van de rechtvaardige oorlog biedt de geestelijk verzorger (…) een belangrijk maar helaas ook vaak onbegrepen evenwicht: enerzijds de visie dat

geweld een kwaad is; anderzijds de visie dat het een nog groter kwaad kan zijn om inactief te blijven ingeval van moordend onrecht.”

 

Minister: Samenwerking goede zaak

Het boek ”Naar eer en geweten” is vorige week maandag overhandigd aan minister Hillen van Defensie. Deze toonde zich verheugd over het verschijnen ervan. Hij sprak waardering uit voor het werk van de Diensten Geestelijke Verzorging (DGV’s) en benadrukte het belang van de geestelijke verzorging bij vragen op moreel gebied bij Defensie. De minister noemde het verder een goede zaak dat er door de verschillende DGV’s intensief wordt samengewerkt, zoals in het boek tot uiting komt.

De Dienst Geestelijke Verzorging telt 150 geestelijk verzorgers, van wie ongeveer een derde tot de Dienst Protestantse Geestelijke Verzorging behoort.

Naar eer en geweten. Geestelijke verzorging en de morele vorming in de krijgsmacht”, Ger Wildering, Jan Peter van Bruggen, René de Boer; uitg. Damon, Budel, 2012; ISBN 9789460360466; 212 blz.; € 24,90.

 

Wij willen graag weten wie op uitzending gaat en wanneer je weg gaat en terug komt.
Meldt je hier aan dan nemen wij contact met jou op!